In ons vorige nummer mochten we een paar rondjes met de Countryman over een circuit sturen, nu kunnen we echt de weg op. De Countryman is een heel andere auto dan je van Mini gewend bent. Normaal gesproken weet je zeker dat je een leuk sturende auto krijgt die strak op de weg ligt. Comfort is minder belangrijk, als je maar lol hebt. Maar de Countryman is anders. Hij is veel langer dan de Mini’s die we kennen: meer dan vier meter. En hij richt zijn pijlen op compacte middenklassers als de Volkswagen Golf en de Renault Mégane. Een gezinsauto voor dagelijks gebruik dus, en verwacht je niet meteen bij een merk dat vooral jong, snel en wild wil zijn. Saai is de Countryman gelukkig allerminst. We reden met de sterkste versie: de 1,6-liter met 184 pk en – een primeur – vierwielaandrijving. Stuurt nog steeds goed, klinkt lekker, heeft enorm veel grip: veel blijft gelukkig bij het oude. Hij is wel wat zwaarder en daardoor wat minder behendig dan de ‘gewone’ Cooper S. Binnenin is de Countryman het meest cool als je hem met twee afzonderlijke achterstoelen bestelt. Daartussen loopt een ‘center rail’, waarop je bekerhouders en andere prullaria kunt plaatsen. Het ziet er geweldig uit, maar het betekent wel dat je niet meer dan twee kinderen moet nemen. Anders moet je toch maar kiezen voor een gewone achterbank. Ook de prijs is typisch Mini: vanaf 24.460 euro (One, 98 pk). De Cooper S met vierwielaandrijving kost alweer 36.415 euro.
